G1000 : het grotere geheel

Internationale context

Overlegdemocratie als wereldwijde trend | Overlegdemocratie: resultaat van jarenlang internationaal wetenschappelijk debat | Waarom net nu? | Een waaier aan technieken | Enkele belangrijke internationale voorbeelden voor de G1000 | Internationale observatoren voor de G1000 | The G1000 report compiled by the international observers - December 2011

 

Overlegdemocratie als wereldwijde trend

De G1000 is een initiatief dat de overlegdemocratie in België wil bekend maken en bevorderen. Maar om voeling te krijgen met de ruime context moet je veel verder kijken dan de grenzen van dit land. De G1000 maakt immers deel uit van een bredere, internationale stroom van initiatieven die allemaal de bedoeling hebben om de inspraak en participatie van gewone burgers in democratische processen te vergroten. Niet alleen in België, niet alleen in Europa, maar in een groot aantal democratieën ter wereld, waaronder ook landen die pas in de afgelopen twee decennia democratieën zijn geworden, wordt er vandaag uitgebreid geëxperimenteerd met burgerparticipatie via georganiseerd overleg.

 

 

Op www.participedia.net kun je een steeds aangroeiende lijst en een kaart van dergelijke initiatieven raadplegen. Je vindt er op dit moment informatie over maar liefst 136 specifieke acties (waaronder bijvoorbeeld de British Columbia Citizens’ Assembly uit 2004, de Grondwettelijke Raad in IJsland uit 2011, en het Citizens' Parliament in Australië uit 2009). Op het kaartje op die website kun je zien waar er overal overleginitiatieven op touw werden gezet. Het valt niet alleen op hoe wijdverbreid het fenomeen is, maar ook hoe divers deze initiatieven zijn (op de website kun je elke case apart aanklikken en zo specifieke informatie opvragen), en hoe vaak ze de achtergrond vormen van belangrijke beleidsbeslissingen, ook al springen deze initiatieven minder in het oog dan verkiezingen. Overlegdemocratie komt soms tot stand in de volgspots van de media, maar vaker nog daarbuiten.

 

Wat zich aftekent is een grotendeels onopvallende, groeiende wereldwijde beweging die bestaat uit enkele grote maar ook veel kleine initiatieven. Ze worden georganiseerd op schaal van een land of een regio, maar vaker nog blijven ze binnen de perken van het lokale niveau (in een stad, gemeente of buurt). Of er wordt rond een specifiek thema gewerkt (zie bijvoorbeeld het initiatief van het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA – Samenleving & Technologie) om in 2006 en 2007 een onderzoek uit te voeren naar armoede en technologie op basis van een intensief participatief proces met meer dan 700 mensen die in armoede leven). Het aantal initiatieven blijft in elk geval aangroeien. Het gaat hier om een internationale trend die nog lang niet aan zijn hoogtepunt toe is. De lijst op www.participedia.net is nog verre van volledig.

 

Overlegdemocratie: resultaat van jarenlang internationaal wetenschappelijk debat

Het is niet toevallig dat deze drang naar democratische innovatie zich vandaag op zoveel plaatsen laat gevoelen. Die brede stroom kan gezien worden als een steeds succesvollere poging om een antwoord te bieden op een belangrijke kritiek op democratie.

 

Welke kritiek? Een democratie die alleen maar burgerinspraak mogelijk maakt via verkiezingen, zo is vaak gesteld door theoretici en filosofen, is te minimalistisch. Ze is te weinig gedragen door de bevolking. Zo’n democratie vraagt immers enkel van haar burgers dat ze een stem uitbrengen, niet dat ze weten wat die stem betekent. In een minimalistische democratie worden burgers niet opgeroepen om zich degelijk te informeren. Er wordt niet van hen geëist dat ze goed op de hoogte zijn van het publieke debat, dat ze weten waarvoor ze stemmen.

 

Zo’n democratie biedt burgers bovendien geen mogelijkheid om enige uitleg of verantwoording te verschaffen bij de stem die ze hebben uitgebracht. In een minimalistische democratie geven burgers misschien wel een signaal, maar ze zijn niet verplicht om op een systematische, gestructureerde en georganiseerde manier een dialoog aan te gaan over dat signaal, niet met bestuurders noch met andere burgers. De gevolgen daarvan zijn soms nefast: verkozen leiders interpreteren dan ‘de wil van het volk’ naar eigen goeddunken; burgers voelen zich niet begrepen. In het slechtste geval is een minimalistische democratie net geen dovemansgesprek.

 

Die kritiek bestond al lang. Je vindt hem terug bij Rousseau of John Stuart Mill, alsook bij hedendaagse politieke filosofen. Er is dan ook in de afgelopen twee eeuwen vaak over dit probleem nagedacht en geschreven. Het is pas sinds enkele decennia dat in veel landen ook steeds meer een brug naar de praktijk wordt geslagen. Dit is een tendens die door een groeiend aantal grote internationale namen in de sociologie en politicologie wordt aangemoedigd (onder meer David Farrell, Robert Dahl, John Dryzek, Pippa Norris, John Fishkin en Robert E. Goodin)

 

Er wordt vandaag de dag meer dan ooit geëxperimenteerd met democratie. En hoewel die experimenten heel erg van elkaar kunnen verschillen op vlak van methode, ambitie en reikwijdte hebben ze vaak met elkaar gemeen dat ze vormen van ‘overlegdemocratie’ zijn (ook wel ‘deliberatieve democratie’ genoemd). In de internationale wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp - die inmiddels vele bibliotheekschappen vult (voor een mooi overzicht, zie bijvoorbeeld het boek van Robert E. Goodin, Innovating democracy: democratic theory and practice after the deliberative turn, Oxford University Press 2008) - spreekt men in de afgelopen twee decennia steeds meer over een ‘deliberative turn’ in het denken over democratie.

 

In deze recente initiatieven staat immers telkens het ‘praten’ centraal. Overleg en deliberatie moeten helpen om burgers bekend te maken met de perspectieven, belangen, ervaringen en zorgen van andere burgers. Zelfs wanneer zo’n dialoog een bepaald beleidsprobleem niet echt ‘oplost’, kan het er toch voor zorgen dat een bredere groep van burgers (mensen die zich in andere omstandigheden misschien ver van het publieke debat houden) een beter inzicht krijgen in de complexiteit van dat beleidsprobleem.

 

Zoals Goodin (2008, p. 4) schrijft:

 

“We probably will have to settle things by voting rather than merely talking (…). Nevertheless, talking together does make an important contribution, in getting all the relevant alternatives and considerations onto the table. Even just the anticipation of having to defend our position to others can help push us to internalize their perspectives and reflect systematically on such information as we have, thus leading us to make better decisions from a democratic point of view.”

 

Het huidige denken over democratie is dus steeds meer doordrongen geraakt van de overtuiging dat het overlegproces zelf minstens even belangrijk is als de beslissing die uiteindelijk wordt genomen.

 

Waarom net nu?

Niet alleen in België hebben zich de laatste jaren enkele recente maatschappelijke ontwikkelingen voorgedaan die de nood aan overlegdemocratie hebben doen groeien. In veel landen zijn burgers mondiger geworden, is het medialandschap sterk veranderd (burgerjournalistiek, sociale media), zijn overheden zijn steeds meer geïnteresseerd geraakt in de input van het publiek buiten het verkiezingsproces om, hebben politieke partijen veel van hun traditionele status verloren (ze hebben minder leden, en minder burgers voelen zich gedwongen om trouw te blijven aan één partij) en functioneren de klassieke middenveldorganisaties (vakbonden, ziekenfondsen en coöperaties) minder dan vroeger als doorgeefluik tussen de massa en de macht.

 

Er zijn ook belangrijke lessen getrokken uit de democratische omwentelingen die zich de laatste decennia op verschillende plaatsen in de wereld hebben voorgedaan. Het optimisme dat in het begin van de jaren ‘90 heerste over de democratiseringsgolf die zich in Zuid-Amerika en Centraal-en Oost-Europa had voltrokken moest gauw plaats maken voor een gevoel van onzekerheid. Waren verkiezingen wel voldoende? Kennelijk niet. Vooral voorbeelden van democratiseringspogingen in Afrika hebben aangetoond dat verkiezingen geen afdoend middel zijn tegen conflict. Hoe belangrijk ook, de klassieke middelen van de representatieve democratie zijn vaak niet in staat om een geïntegreerde democratische samenleving op te bouwen. Het is frappant dat in veel gevallen de stembusgang meer conflict heeft veroorzaakt, niet minder. Niet die verkiezingen op zich zijn dan het probleem, maar wel het gebrek aan democratische attitudes onder zowel bevolking als politici.

 

De laatste jaren is het besef gegroeid dat ook in oudere democratieën er meer middelen nodig zijn dan alleen verkiezingen om het conflict (dat inherent is aan een democratie) in goede banen te leiden. De participatieve middelen van de overlegdemocratie kunnen helpen.

 

Een waaier aan technieken

Er bestaat niet één vorm van overlegdemocratie. Het gaat om een brede waaier aan methodes en technieken die op kleine of grote schaal kunnen worden toegepast. Voor een overzicht, zie bijvoorbeeld het The Deliberative Democracy Handbook: Strategies for Effective Civic Engagement in the Twenty-First Century van John Gastil en Peter Levine (Jossey-Bass, 2005).

 

De G1000 maakt voornamelijk gebruik van een methode die steunt op wat in vaktaal een ‘mini-public’ wordt genoemd. In plaats van te rekenen op bestaande instellingen of middenveldorganisaties wordt een nieuwe groep van burgers samengeroepen. Die groep is klein genoeg (overleg moet mogelijk zijn), maar ook groot genoeg (de groep moet een zo divers mogelijk aantal standpunten kunnen bevatten).

 

Belangrijk is dat het in het geval van de G1000 gaat om willekeurig geselecteerde burgers. In andere gevallen worden burgers vaak betrokken op basis van zelfselectie (ze geven zich vrijwillig op als kandidaat) of omdat ze experts of ‘stakeholders’ zijn. Dergelijke niet-willekeurige participatie is ook legitiem. Zelfselectie werd bijvoorbeeld gebruikt bij het succesvolle Particpatory Budgeting dat in 1989 startte in Porto Alegre in Brazilië (en veel navolging kende in andere Latijns-Amerikaanse steden) of bij de Chicago Alternative Policing Strategy dat mede wordt verantwoordelijk geacht voor de spectaculaire afname van criminaliteit in de stad in de jaren ‘90.

 

Dit zijn enkele bekende voorbeelden van technieken die gebaseerd zijn op ‘mini-publics’ en op verschillende manieren een zo divers mogelijke groep deelnemers proberen te betrekken:

 

  • De burgerjury (Citizens’ Jury): voor het eerst gebruikt in de VS in 1974. Een burgerjury bestaat in de regel uit een groep van 18 tot 24 willekeurige burgers die gedurende een korte periode (4 tot 7 dagen) op basis van getuigenissen van experts een aanbeveling moeten formuleren.

 

  • De consensusconferentie (Consensus Conference): door de Danish Board of Technology in 1987 op de kaart gezet. Het gaat in de regel over een groep van 15 mensen die twee weekends samenkomen om op die manier de agenda uit te tekenen voor een publiek forum van vier dagen.

 

  • De deliberatieve peiling (Deliberative Poll): in 1988 door James S. Fishkin geïntroduceerde methode. Een willekeurige gekozen groep van 250 tot 500 burgers luisteren naar experts, gaan vervolgens debatteren in groepjes van 15 en verzamelen achteraf opnieuw om in gesprek te gaan met de experts. Vooraf en achteraf worden enquêtes afgenomen die de verandering van de opinie van de deelnemers in kaart brengt.

 

  • De ‘21st Century Town Meeting’: ontworpen door AmericaSpeaks. In de regel een grote vergadering (van 500 tot 5000 deelnemers). Overleg gebeurt in groepjes van 10 of 12. De informatie wordt via een netwerk van computers verzameld en gecommuniceerd naar alle deelnemers.

 

Enkele belangrijke internationale voorbeelden voor de G1000

De G1000 heeft ervoor gekozen om enkele internationaal gangbare technieken te combineren. Andere recente grootschalige overleginitiatieven deden ook een beroep op een combinatie van methoden. Enkele bekende voorbeelden hieronder (de informatie komt telkens uit Participedia.net of van de website van het desbetreffende initiatief).

 

IJsland: Constitutional Council

The Constitutional Council was a body of 25 appointed Icelandic citizens, which was charged with creating a constitutional draft between 6 April and 29 July 2011. Initially the constitution was meant to be revised by a nationally elected assembly, but following a controversial Supreme Court decision to void the assembly elections, the Icelandic parliament (Althingi) appointed the elects to form a council.

The parliament had called for a constitutional revision in response to the national economic meltdown, which had caused the country’s stock exchange, currency and banks to crash in October 2008. Taking its cue from nation-wide protests and non-confrontational efforts by civil organisations, the governing parties decided that the citizenship should be involved in creating a new constitution. The council was ordered to do this by drawing on the results of a consultative citizens’ forum, as well as by advertising “extensively for proposals from the public, interest groups or other parties.” The council attempted to meet this condition by making innovative use of the internet, subscribing to popular social media like Youtube, Twitter, Facebook and Flickr and arguably making Iceland the first country to use crowdsourcing as a means for constitutional revision. This may have produced some notable ideas, such as the public ownership of Iceland’s natural resources, an article on information rights, and an attempt to enshrine the Parliament’s role in the supervision of financial management.

 

Ierland: We the citizens

‘We the Citizens’ is an independent national initiative with a clear and simple idea. We want to explore whether our Republic could benefit by citizens coming together in new ways of public decision-making. We believe this could help to renew trust in politics at this time of social and economic crisis in Ireland. So what are we about? In May and June of 2011, 'We the Citizens' invited fellow citizens to come together to share views on how to make our country better. ‘We the Citizens’ asked the people of Ireland to participate in one of our seven citizens’ events around the country. The purpose of the events was to provide a space for people to engage with each other on the future of our country. The 'We the Citizens' team are currently compiling the results of the Assembly and the extensive national survey work that took place before and after the Assembly.

 

Australië: Australia's first Citizens' Parliament

Australia's first Citizens' Parliament (also referred to as Australian Citizens' Parliament and ACP) was a large-scale three-day deliberation that took place in Canberra between randomly-selected citizens of Australia in February 2009. Organized by the new Democracy Foundation, the citizens were asked to address the question of how the Australian government could be strengthened to better serve the people. Their results, 13 proposals, were presented to the Australian Parliament. This event was meticulously recorded and provides an important vault of resources for future research.

Canada: Citizens' Assembly on Electoral Reform

The Citizens' Assembly on Electoral Reform was a body created by the government of British Columbia, Canada. The Assembly was charged with investigating and recommending changes to improve the electoral system of the province. The body was composed of 160 citizens selected ar random from throughout the province. These members met approximately every other weekend for one year to deliberate about alternative voting arrangements. In October 2004, the Assembly recommended replacing the province's existing First Past the Post (FPTP) system with a Single Transferable Vote (STV) system: this recommendation was put to the electorate-at-large in a referendum held concurrently with the 2005 provincial election. The referendum required approval by 60% of votes and simple majorities in 60% of the 79 districts in order to pass: final results indicate that the referendum failed with only 57.7% of votes in favor, although it did have majority support in 77 of the 79 electoral districts. Because this referendum was somewhat inconclusive, the government called another referendum on the same question, with the same approval thresholds that was held on May 12, 2009. In that referendum, the STV was defeated with 62 percent of voters opposing the change.

Meeting of Minds. European Citizens’ Deliberation on Brain Science

A two-year pilot project led by a European panel of 126 citizens. A partner consortium of technology assessment bodies, science museums, academic institutions and public foundations from nine European countries launched this initiative in 2004 with the support of the European Commission.

The initiative gives European citizens a unique opportunity to learn more about the impact of brain research on their daily lives and society as a whole, to discuss their questions and ideas with leading European researchers, experts and policy-makers, put them in touch with fellow citizens from other European countries and make a personal contribution to a report detailing what the people of Europe believe to be possible and desirable in the area of brain science and what they recommend policy-makers and researchers to be aware of for future developments in this field.

Through this approach, the Meeting of Minds initiative wishes to meet EU calls for greater public involvement in the debate on future research, technological decision-making and governance.

 

Internationale observatoren voor de G1000

Om een brug te slaan naar deze internationale context heeft de G1000 een internationaal team van observatoren uitgenodigd. Het zijn mensen met veel ervaring en gedegen kennis. Ze schreven belangrijke teksten over deliberatieve democratie of hebben een aantal van de hierboven beschreven initiatieven van dichtbij meegemaakt. Zij zullen op 11 november het hele proces kunnen monitoren. Na afloop zullen zij een tussentijds rapport schrijven met hun commentaren en bevindingen. Ze zullen verder ook worden geconsulteerd bij het vervolg van het G1000-project na 11 november.

 

Hieronder is wat meer informatie terug te vinden over deze observatoren:

Prof. dr. David Farrell (Ierland)

Professor Farrell is a specialist in the study of parties, elections, electoral systems and members of parliament. He is founding co-editor of Party Politics and a co-editor of the Oxford University Press series on 'Comparative Politics'. Prior to his move to Dublin, Professor Farrell was professor and head of Social Sciences at the University of Manchester.

Dr. Julien Talpin (Frankrijk)

Julien Talpin is a research fellow in political science at Ceraps/University of Lille 2 (France). His research deals with deliberative democracy, political socialisation and the transformations of representative government. He has studied a variety of democratic innovations from citizen juries, neighbourhood councils and participatory budgeting. Using both ethnographic and socio-historical methods, he has mainly focused on the individual impact of participation and deliberation. He has recently published ‘When democratic innovations let the people decide: An evaluation of co-governance experiments’ (edited by B. Geissel, K. Newton) ; Democratic Innovations, (Routledge, 2011) ; and (with S. Wojcik), 'Deliberating environmental policy issues: Comparing the learning potential of online and face-to-face discussions on climate change', Policy and Internet, 2010, 2 (4).

Prof. Dr. Jean Tillie (Nederland)

Jean Tillie studied Political Science and wrote his PhD dissertation on determinants and measurement of party preference and voting behaviour, at the Universiteit van Amsterdam. Jean Tillie is Professor Electoral Policies by special appointment at the University of Amsterdam. He is also the programme leader of the AISSR programme group ‘Challenges to Democratic Representation’. Jean Tillie studies the quality of multicultural democracy. His research focuses on radicalism and extremism, extreme right voting behavior, anti-immigrant feelings and the political integration of immigrants. He is also coordinating the EURISLAM project (an international comparative study on the social-cultural integration of Muslims).

Ms. Ida Andersen (Denemarken, Danish Board of Technology)

The Danish Board of Technology is an independent council supervised by the Danish Ministry of Science, Technology and Development. The purpose of The Danish Board of Technology is to diffuse information on technology: IT, genetic engineering, energy, environmental issues, biotechnology, health and transportation. The Danish Board of Technology has developed numerous methods for the purpose of involving citizens, including the so-called Citizens’ Hearing and the Consensus Conference. By means of these methods, among others, the Danish Board of Technology seeks the counsel of common citizens with regard to societal issues, thus gaining knowledge of the public’s priorities, ideas and suggested solutions.

Dr. Clodagh Harris (Ierland)

Dr Clodagh Harris is a lecturer in the Department of Government, University College Cork. Her research interests include; deliberative democracy, active democratic citizenship, political participation and the scholarship of teaching and learning in political science. She has published in leading international journals such as Representation, European Political Science, PS Political Science and Politics and the Journal of Political Science Education . In 2004 she was seconded to TASC an independent think tank in Dublin to manage its Democracy Commission project (funded by the JRCT) and edit its final report `Engaging citizens the case for democratic renewal in Ireland ' (2005). During her time with the Commission she organised its public consultations across the island of Ireland on issues of political participation particularly amongst the under 25s and those living in socially disadvantaged areas. Forum theatre and community art were used to engage with the target groups. Dr Harris is also one of the key authors of 'Power to the People: Assessing Democracy in Ireland' , New Island: Dublin (2007), the first comprehensive audit of the state of democracy in modern Ireland. Dr. Harris has also been commissioned by the National Forum on Europe and by the European Movement to facilitate the Irish strands of the European Citizens Consultations.

Richard Stilmann II (USA)

Richard J. Stillman II is a Professor of Public Administration at the School of Public Affairs, University of Colorado Denver. He taught on the faculties of George Mason University and California State University-Bakersfield and is the author or editor of several books. Stillman is an elected fellow in the National Academy of Public Administration and his textbook, Public Administration: Concepts and Cases, 8th edition is used at over 400 universities and colleges. Professor Stillman is the Editor of Public Administration Review, The Premier Journal of Public Administration.

Cécile Le Clercq (European Commission)

Ms. Le Clercq represents the ‘Citizens' Policy’ Unit at the European Commission’s Communication DG. The unit’s Europe for Citizens programme’s main priorities include encouraging citizens to become actively involved in the process of European integration, empowering them to develop a sense of European identity, and enhancing mutual understanding between Europeans. In more concrete terms, the programme’s priority areas are: promoting participation and democracy at the EU level; the future of the Union and its basic values; intercultural dialogue; employment, social cohesion and sustainable development; and boosting awareness of the societal impact of EU policies.

 

Het G1000 rapport opgesteld door de internationale waarnemers

Het G1000 rapport opgesteld door de internationale waarnemers